Uitlevering Saïd C. onterecht tegengehouden

0
365

Uitlevering van drugsverdachte Saïd C. uit Roosendaal aan Marokko is ten onrechte tegengehouden door de rechtbank in Breda. Dat stelt de advocaat-generaal in haar advies aan de Hoge Raad. Ze vindt dat de Hoge Raad het uitleveringsverzoek opnieuw moet behandelen.

Marokko heeft Nederland om de uitlevering van Said. C. verzocht om hem in dat land te vervolgen wegens de oprichting van een criminele organisatie, omkoping en internationale drugshandel. Hij is ook in Nederland verdachte in een grote drugszaak met in totaal veertien verdachten. Met familieleden zou hij vanuit Roosendaal en Etten-Leur miljoenen hebben verdiend met de export van softdrugs naar Frankrijk.

De rechtbank in Breda verklaarde op 22 februari van dit jaar de uitlevering van Said C. aan Marokko ontoelaatbaar. Volgens de rechtbank is er een reëel risico dat verklaringen door medeverdachten van Said C. zijn afgelegd nadat zij zijn behandeld in strijd met het in artikel 3 EVRM neergelegde verbod op foltering en een onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, en dat deze verklaringen als bewijs tegen hem zullen worden gebruikt in het proces in Marokko.

Volgens de rechtbank zijn de door Marokko afgegeven garanties niet onvoldoende om dit gevaar weg te nemen. Ook oordeelde de rechter dat bepaalde stukken ontbraken die vereist zijn in de uitleveringsprocedure.

Het Openbaar Ministerie (OM) was het met de beslissing van de rechtbank niet eens en stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Het OM is van mening dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte ontoelaatbaar heeft verklaard. Door het OM is onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het risico op schending van het recht op een eerlijk proces bestaat en dat de rechtbank de door Marokko afgegeven garanties ten onrechte onvoldoende heeft geacht om het gevaar op die schending uit te sluiten. Deze cassatieklachten kunnen naar het oordeel van de plv. advocaat-generaal worden verworpen.

Het OM heeft ook aangevoerd dat de rechtbank de uitlevering alleen ontoelaatbaar had mogen verklaren indien zij had vastgesteld dat Said  C. na te zijn uitgeleverd naar Marokko daar geen effectief rechtsmiddel zou hebben tegen de dreigende flagrante inbreuk. Nu dit niet is vastgesteld, is niet de rechtbank, maar de minister bevoegd te oordelen over een beroep op mensenrechtenschendingen.

In de visie van de plv. advocaat-generaal is deze cassatieklacht terecht. De eisen die de Hoge Raad daarover heeft geformuleerd in een overzichtsarrest van 2017 gelden naar haar oordeel ook in geval het uitleveringsverzoek niet is gebaseerd op een uitleveringsverdrag zoals in deze zaak.

Naar het oordeel van de plv. advocaat-generaal heeft de rechtbank niet vastgesteld dat een effectief rechtsmiddel ontbreekt. Met een effectief rechtsmiddel wordt hier bedoeld dat ook in Marokko het verweer kan worden gevoerd dat de verklaringen zijn verkregen in strijd met artikel 3 EVRM en dat dit verweer ook effectief wordt onderzocht. En dat als het verweer gegrond blijkt, de verklaringen vervolgens niet ten nadele van C. mogen worden gebruikt.

Tot slot heeft het Openbaar Ministerie (OM) geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering moet worden geweigerd omdat bepaalde uitleveringsstukken ontbraken. In de cassatieprocedure zijn deze stukken alsnog aan het uitleveringsdossier toegevoegd.

De advocaat-generaal adviseert het cassatieberoep van het OM te honoreren, de beslissing van de rechtbank te vernietigen, het uitleveringsverzoek opnieuw te laten behandelen door de Hoge Raad, zoals in de wet is voorgeschreven, en voor die behandeling Said C. ook op te roepen om te worden gehoord over het verzoek tot zijn uitlevering.

Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet.