Over ras #8

0
234

Dit maakte ik mee in de tram. Een jongeman, type junk, stond te oreren over Turken. Klootzakken zijn het, ze willen je niet meer geven dan een tientje, voor een leren jekkie. Marokkanen, OK, die geven je nog wel 25. Maar Turken, een tientje! Ze moeten optiefen, je hebt niks aan die klootzakken. Ik snap die Duitsers wel …

Achter mij zat een donkere man, die mij hoofdschuddend aankeek, tot hij er kennelijk genoeg van had. Zo kun je toch niet praten, man, zei hij tegen de ander. O maar ik heb het niet over jou hoor, zei deze, niet over jullie, over Surinamers. Jullie horen bij ons!

Mijn hart maakte een sprongetje van vreugde bij deze onverwachte wending. Het voorval vond plaats in mei 1993, kort na de brandstichting in een pension met Turken in Solingen, waar onze verslaafde dus alle begrip voor had. Het contrast met de bejegening van mijn donkere buurman was er des te groter door. Maar los van het oordeel over ‘Turken’ (afzetters!) klonk het jullie horen bij ons mij als muziek in de oren. Het was alsof ik de stem des volks hoorde zeggen: ja wij zijn meer dan een verzameling witte Nederlanders, wij zijn witte en zwarte en bruine Nederlanders, want onze geschiedenis is groter dan dit land aan de Noordzee.

Van de nu levende Nederlanders heeft bijna niemand Suriname als een kolonie meegemaakt, wel als een rijksdeel en later als een onafhankelijk land. Europese Nederlanders kennen Surinaamse Nederlanders niet uit een koloniale verhouding, net zo min als omgekeerd. Sinds lang, en zeker na 1975, kunnen witte Nederlanders ervaring hebben met zwarte onderwijzers, dokters, winkeliers, hoogleraren, ambtenaren, schilders, hoveniers en familieleden met Surinaams (en Antilliaanse) roots. De verhouding is nu op zijn slechtst neokoloniaal en op zijn best er een van land- en rijksgenoten onder elkaar.

In de postkoloniale periode speelt het koninkrijk zeker een rol in de identificatie over en weer. Gedeelde geschiedenis werkt. Er is bijvoorbeeld een interessante parallel tussen Indische Nederlanders en Hindoestaanse Nederlanders. Beiden zijn in groten getale naar Den Haag getrokken en beiden vertoonden daar een zekere voorkeur voor een baan bij de overheid. Historisch verklaarbaar. Allebei  vallen ze buiten het zwart-witschema. Toch, zwart, wit en lichtgetint, het einde van het kolonialisme heeft, hoe slecht op veel punten ook verwerkt, de ontwikkeling van de onderlinge verhoudingen drastisch versneld. Er is sprake van lotsverbondenheid die verschillen kan overbruggen.

Het is een open vraag wat hedendaags racisme nog kan halen uit dat oude imperiale archief. Natuurlijk, in de bagger op sociale media en bij pro-pietdemonstranten komt alles langs: oerwoud, bomen, apen, bananen en als je even wacht komen ook de kookpotten van de kannibalen. En je hebt ook nog de deftiger variant, de bevoogdende toon jegens mensen die aan ‘de minder ontwikkelde wereld’ te linken zijn en soms zelfs de suggestie van collectieve verschillen in IQ.

Maar mijn gevoel zegt dat dit alles snel achterhaald raakt, omdat de globalisering heel andere fronten trekt. Zowel snelle vooruitgang  als stagnatie en reactie raken op nieuwe manieren over de aardbol verspreid. Ze volgen allang niet meer de oude raciale verdelingen.

Niettemin blijft racisme in Nederland actueel in drie domeinen: (1) racisme in zwart-wit (2) anti-islamisme (3) antisemitisme. Over alle drie heb ik al wat geschreven. In het vervolg ga ik proberen ze als onderscheiden, maar niet gescheiden, strijdterreinen in kaart te brengen.

Herman Meijer was van 2003 tot medio 2006 voorzitter van het landelijk bestuur van GroenLinks. Van 1990 tot 2002 was hij gemeenteraadslid en wethouder te Rotterdam. In zijn portefeuille zat onder meer stads- en sociale vernieuwing, dak- en thuislozenbeleid, monumenten- en architectuurbeleid, allochtonen-, grote steden- en moskeebeleid. Het eerste deel over racismedebat is ook te lezen op https://www.levedegrotestad.nl