“Extreem rechts is het gevolg van ons verleden”

0
1127

Op donderdag 27 september 2018 is in de Arenbergschouwburg, Antwerpen de boekenvoorstelling ‘Vertel het iemand’ van Rachida Lamrabet.

Een gesprek tussen Hollanda.nu en de vrouw die de politieke en culturele elite in het Vlaamse gewest een pijnlijke spiegel voorhoudt.

Wie is Rachida Lamrabet?
Een Belgisch juriste, auteur en filmmaker van Marokkaanse origine. Op tweejarige leeftijd kwam ze in 1972 met haar ouders naar België. Haar werk is sterk geïnspireerd door de thema’s migratie en identiteit. Lamrabet was zestien jaar lang werkzaam voor Unia, de interfederale centrum voor bestrijding van racisme en discriminatie. Ze schreef meerdere boeken en verhalenbundels, waaronder ‘Vrouwland’ (waarvoor ze in 2008 de debuutprijs kreeg) en ‘De man die niet begraven wilde worden.’

Lamrabet werd door het Goethe Instituut in Washington gevraagd de betekenis van het begrip privacy in deze digitale tijd te verwerken in een project. Het werd een theaterproductie die een artistieke en culturele dialoog op gang moest brengen over de verschillende invullingen van het begrip privacy.

In plaats van dialoog riep Lamrabets bijdrage echter weerstand op: staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Zuhal Demir, van De Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA), een nationalistische en liberaal-conservatieve politieke partij eiste dat Unia zich zou distantiëren van Lamrabet. Een week later, in maart 2017, werd Lamrabet ontslagen. Over deze periode, maar vooral over de ongelijke machtsverhoudingen in onze samenleving, schreef ze het essay Zwijg, allochtoon!.

Waar hebben we de titel van je nieuwe roman ‘Vertel het iemand’ aan te danken?
“Daar heb ik redelijk lang op moeten zoeken. Ik heb het boek geschreven omdat de bijdrage van honderdduizenden mannen uit Afrika en Azië tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog onderbelicht en veronachtzaamd wordt in het onderwijs, in films en zelfs tijdens de herdenking van de Eerste Wereldoorlog die hier in België al sinds 2014 aan de gang is. Mijn hoofdpersonage is een jonge Amazigh uit midden-Marokko die niet wil dat wat hij en zijn kameraden meemaken in de loopgraven van Noord-Frankrijk, waar hij gestationeerd is, vergeten en verdwenen zal zijn. Hij wil niet ‘nasiyen mansiya’ zijn zoals in de koranvers gezegd wordt over Maryam (Maria), de moeder van Issa (Jezus). Daarom houdt hij een dagboek bij dat bestemd is voor de mensen die hij achterliet in Marokko.”

Het gaat o.a. over oorlog, racisme, geweld en het onbekende. Zegt het niet stiekem iets over de huidige politiek in België?
“Elk verhaal vertelt iets over onze wereld, ook dit verhaal. Het huidige klimaat in de Westerse wereld van xenofobie en extreem-rechtse ideeën komen niet uit de lucht gevallen. Ze zijn het gevolg van een verhaal dat in een ver verleden ligt. De slavernij maar ook het kolonialisme liggen aan de basis van het racisme en het neofascisme dat nu in West-Europa vrij baan lijkt te krijgen. In dat opzicht vertelt mijn boek ook iets over vandaag, hoewel het zich afspeelt aan het begin van de jaren 1900.”

Het is ook een zoektocht naar een onbereikbare waarheid. Over welke waarheid hebben we het?
“Het is niet zozeer een zoektocht naar een onbereikbare waarheid als wel de ontrafeling van de grote mythes, van verhalen die ons verteld worden over volk, bloed en behoren tot een bepaald territorium. We hebben die verhalen blijkbaar nodig om ons een identiteit aan te meten. Sommigen zijn bereid om voor die mythes te sterven of te doden. Maar het zijn mythes. Wanneer dat duidelijk wordt voor mijn hoofdpersonage is de ontnuchtering en de verwarring compleet. Want wat is dan zijn houvast? Wie is hij dan en waarvoor strijdt hij? In dat opzicht is het ook een verwijzing naar onze tijd waar de obsessie met een zeer enge definitie van identiteit, met een star geloof in de natiestaat en het eigen volk, enorm groot is en echt een splijtzwam is in onze samenlevingen.”

Geef ons een zin of een passage uit het boek om over na denken.
“Ik vroeg mij af hoeveel mannen wij nog moesten doden om in het land van de overwinning aan te komen. We zouden ons een weg naar hun overwinning moeten schieten. Ontelbare gezonde, sterke jongens zullen eraan moeten geloven. Jongens die net zoals ik een naam hadden, een moeder en een vader. Een thuis ergens ver weg.  Ik werd misselijk bij de gedachte dat wij het doden gewoon zouden worden. Dat er een ogenblik zou komen dat we niet meer dagenlang verdwaasd zouden zijn zoals we dat waren toen onze kameraad Simoh en die jonge, baardloze Duitser voor onze ogen stierven. Dus wat viel er te schrijven? Dat er hier gestorven werd? Ik wilde die beelden en die gevoelens niet vastzetten in woorden omdat ik bang was dat ze zich op die manier diep in mijn hoofd zouden nestelen en mijn lijf zouden besmetten. Alles gewoon vergeten was beter. Maar net dat vergeten vergde een grote inspanning, misschien een nog grotere inspanning dan het opschrijven zelf. ”