Over ras #02

0
238

Taboe op spreken in termen van ras, hoe fictief dit begrip ook is, laat zich niet opleggen. Als mensen willen spreken over die bruinen, die zwarten, die gelen, dan doen ze dat. En dus ook over die witten. In al deze gevallen gaat het over anderen dan de ‘mensen die spreken’, maar wel in een verhouding tot hen. Als witten over zwarten spreken en zwarten over witten, spreken zij vanuit en over twee kanten van een verhouding. En deze verhouding is historisch gegroeid. Ze is product van een geschiedenis, die er van de ene kant volstrekt anders uitziet dan van de andere kant. Het is deel van de mondialisering dat we nu steeds indringender die twee kanten in beeld krijgen. Migratie loopt veelal in tegenovergestelde richting van kolonisatie en voormalig gekoloniseerden mengen zich met voormalige kolonisatoren in de landen van de laatsten. Zo is het althans in Europa, in het bijzonder in Groot-Brittannië, Nederland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal. Hier zijn de oude wereldrijken in het klein weer aanwezig, zij het in, getalsmatig en kwalitatief, totaal andere verhoudingen.

In het algemeen en in tegenstelling tot veel migranten en vluchtelingen, hebben de voormalig gekoloniseerden het burgerschap van het oude moederland. De rijksgenoten zijn landgenoten geworden. Formeel bestaat ‘ras’ er niet. Materieel is er ten eerste de zichtbaarheid en met de zichtbaarheid ook de doorwerking van de historie, de herinneringen, de oude hiërarchieën, de veronderstellingen, de vooroordelen. Toch is het burgerschap in de voormalige moederlanden meer dan een formaliteit. De ex-rijksgenoten en hun nakomelingen voelen zich werkelijk staatsburger van het moederland, het is hun historisch recht. Dit geldt in Nederland voor diegenen met een verleden in Nederlands-Indië net zo goed als die met een Surinaams verleden – en uiteraard voor de Caribische Nederlanders die nog altijd binnen het koninkrijk horen. Toen in de jaren negentig van de vorige eeuw de aanduiding ‘allochtoon’ courant werd protesteerden met name Surinaamse Nederlanders tegen toepassing van dat woord op henzelf. Wij zijn altijd Nederlander geweest. Dit historisch rechtsbesef heeft een dubbel effect. Aan de ene kant relativeert het raciale en etnische kenmerken. Aan de andere kant zet het die juist zwaarder aan om de historische asymmetrie te benadrukken. Voorbeeld van het eerste: het vanzelfsprekende gemak waarmee mensen van Surinaamse afkomst zich in een multiculturele stedelijke omgeving bewegen – in Rotterdam zie ik er legio voorbeelden van in heel verschillende domeinen. Voorbeeld van het tweede: de roep om erkenning van het slavernijverleden, die met klem wijst op de herkomst van al die zwarte mensen en de historische verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor de omstandigheden waaronder dat alles plaatsvond.

Buiten de context van historische lotsverbondenheid blijkt ‘ras’ niet zo’n sterke verbindende factor. Er is in Rotterdam een dag in het jaar dat de binnenstad dominant ‘zwart’ ziet: met het Zomercarnaval; dan zijn er bijvoorbeeld ook bewoners van Kaapverdische herkomst op de been, naast de al langer actieve Antilliaanse en Surinaamse. De rest van het jaar zijn er geen spontane verzamelingen van mensen ‘met Afrikaanse roots’, net zo min als er pan-Aziatische of pan-Europese verzamelingen optreden.  Gedeelde tradities en gedeelde geschiedenis lijken heel wat belangrijker dan een eender ‘ras’.

Herman Meijer was van 2003 tot medio 2006 voorzitter van het landelijk bestuur van GroenLinks. Van 1990 tot 2002 was hij gemeenteraadslid en wethouder te Rotterdam. In zijn portefeuille zat onder meer stads- en sociale vernieuwing, dak- en thuislozenbeleid, monumenten- en architectuurbeleid, allochtonen-, grote steden- en moskeebeleid. Het eerste deel over racismedebat is ook te lezen op https://www.levedegrotestad.nl